

In de loop van de 17e eeuw ontwikkelt zich de Franse barokstijl naast de Italiaanse stijl uit de late renaissance. Samen met de stijlveranderingen in muziek, architectuur, schilderkunst, evolueert ook wederom de danskunst. De techniek met zijn uitdraai, doorstrekken en balansposities is nog steeds de basis voor het klassieke ballet.
Voor het eerst bewegen ook de armen in de dans en deze bewegingen hebben meerder functies: ze geven een ruimtelijke balans, ze geven een contrast (een beweging van het linkerbeen gaat samen met een beweging van de rechterarm) én ze zijn essentieel in de uitdrukking van het Affekt: de emotie of het karakter van een dans of zelfs een enkele beweging.
Naast de talloze danses à deux voor de balzaal is er een groot repertoire aan theaterdansen overgeleverd, alle opgetekend door middel van een notatiesysteem. Naast deze dansen genoten de contredances (relatief eenvoudige figuurdansen voor grote groepen dansers) enorme populariteit.
In de tweede helft van de 18e eeuw beginnen de stijlen van dans in de balzaal en theaterdans voor het eerst in sterke mate uiteen te lopen. De danses à deux verdwijnen, het theater is het terrein van uitsluitend beroepsdansers geworden en in de balzaal worden alleen nog contredances gedanst: à l'anglaise (paren opgesteld in een lange rij) en à la Française (vier paren in een vierkant, de opstelling voor cotillon of quadrille).
